2026-02-06 Rb Utrecht NL25.51035 – Syrië - atheïsme – zwaarwegendheid
De asielaanvraag is afgewezen omdat bekeerlingen voor Syrië niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. De rechtbank acht dit in het licht van recente ontwikkelingen onvoldoende gemotiveerd.
ECLI:NL:RBDHA:2026:2607
De minister acht geloofwaardig dat eiser atheïst is en Koerd. In deze bespreking gaan we enkel in op de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte geloofsovertuiging.
Het standpunt van de minister
8. In het kader van de zwaarwegendheid van het tweede asielmotief [i.e. dat eiser atheïst is], stelt de minister zich op het standpunt dat bekeerlingen voor Syrië niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. Dat volgt uit paragraaf C7/33.4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn atheïsme. De minister overweegt dat, hoewel atheïsten een minderheid zijn in Syrië, dit niet betekent dat eiser daardoor persoonlijk te vrezen heeft. Ook voor zover eiser zich beroept op de recente machtswisseling waarbij Ahmed al-Sharaa is benoemd tot interim-president van Syrië, leidt dit volgens de minister niet tot een gegronde vrees bij terugkeer omdat niet aannemelijk is dat juist eiser in het bijzonder te maken zal krijgen met vervolging vanwege zijn religie bij terugkeer.
Het oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd dat bekeerlingen/atheïsten en Koerden volgens het landgebonden beleid Syrië niet als risicogroep worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië, op dit punt niet worden volstaan met het verwijzen naar het landgebonden beleid zoals neergelegd in paragraaf C7 van de Vc, dat voor het laatst in juni 2025 is gewijzigd. De beleidswijziging van juni 2025 is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.
15. De minister heeft zijn standpunt, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn atheïsme, ook nog gebaseerd op de belofte van al-Sharaa dat eenieder ongestoord zijn religie kan blijven uitoefenen en op een grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 die vrijheid van geloof garandeert. De rechtbank oordeelt dat ook dit, mede in het licht van de recente ontwikkelingen en de onduidelijke machtsverhoudingen in Noordoost-Syrië, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat eiser niet vervolgd zal worden vanwege zijn atheïsme.
16. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De gemachtigde van de minister bleek op de zitting niet in staat om te reageren op de vraag of de recente ontwikkelingen in Syrië invloed (moeten) hebben op het standpunt van de minister of op de manier waarop het landenbeleid geïnterpreteerd moet worden en daarmee het bestreden besluit op dit punt aan te vullen. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven hier dan ook geen bespreking.
Bespreking
In r.o. 14 en 15 verwijst de rechtbank naar de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië. Daarmee wordt gedoeld op de verdrijving van de Koerdische SDF door de regeringstroepen in januari 2026. Volgens het recente landerapport Syrië van Open Doors (rapportageperiode oktober 2024 t/m september 2025) zijn christenen relatief veilig in de noordoostelijke regio die door de Koerden gecontroleerd wordt. Hetzelfde gold mogelijk ook voor andere groepen niet-moslims. Nu ook noord-oost Syrië niet meer door de Koerden gecontroleerd wordt, kan niet zonder meer aangenomen worden dat dit gebied relatief veilig is voor afvalligen en bekeerlingen. Daarvoor is er volgens de rechtbank te veel onduidelijkheid over de machtsverhoudingen.
In januari 2026 verscheen ook een nieuw algemeen ambtsbericht Syrië dat een beter beeld geeft van de beperkte geloofsvrijheid in Syrië, net als de landenrapporten van de EUAA en het al genoemde rapport van Open Doors. Opvallend is dat de minister zich in deze zaak nog baseerde op de belofte van godsdienstvrijheid van Al-Sharaa, wat in het ambtsbericht van januari 2026 in het licht van de ontwikkelingen behoorlijk genuanceerd wordt. Zie verder ons algemene bericht over religieuze minderheden in Syrië.