Religieuze minderheden in Syrië
Geplaatst op 01-09-2025 in Nieuws.
Sinds de val van het regime van Assad in december 2024 krijgen we bij Gave verontrustende signalen uit de azc’s dat Syrische christenen meer dan voorheen geïntimideerd en bedreigd worden door groepen landgenoten. Ook is er grote onrust onder Syrische christenen in de azc’s over bedreigingen van familie in Syrië zelf. Tegelijk merken we dat de overheid er in zijn beleid van uit lijkt te gaan dat christenen in Syrië niet hoeven te vrezen voor ernstige vervolging. Het meest recente rapport van Open Doors is echter heel duidelijk: Christenen in Syrië worden vervolgd.
Laatste update: 24 april 2026
Hulp van Gave
- Worden christenen in het azc bedreigd, gediscrimineerd of aangevallen vanwege hun geloof, laat het ons weten via ons meldpunt.
- Wordt de asielaanvraag van een Syrische christen afgewezen of een verblijfsvergunning ingetrokken, dan doen we graag dossieronderzoek.
Veiligheidssituatie in Syrië
Het Nederlandse ambtsbericht (= landenrapport) Syrië van 31 mei 2025, en het daaropvolgende herziene landenbeleid, lijken de kwetsbare positie van christenen en andere religieuze minderheden in het Syrië van na Assad te bagatelliseren. Van alle religieuze minderheden worden alleen de Alawieten en de Druzen erkend als groepen die serieus risico lopen. Het ambtsbericht Syrië van januari 2026 is een lichte verbetering. Geweldsescalaties, waaronder de aanslag op een kerk in in Damascus in juni 2025, leidde bij veel bevolkingsgroepen, onder wie christenen, tot een (verdere) ondermijning van het vertrouwen in de overgangsregering. Ook uitingen van diverse extremistische groepen, waaronder aanhangers van de overgangsregering, droegen bij aan deze ondermijning (p. 91,92). Het ambtsbericht vermeldt diverse incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld gericht tegen christenen, waaronder geweld door overheidsfunctionarissen (p. 100-103). Toch stelt het ambtsbericht “Volgens een bron was er over het algemeen sprake van een vreedzaam samenleven tussen moslims en christenen in Syrië ” met verwijzing naar ‘vertrouwelijke bron’ (p. 100). Vraag is, wat deze informatie waard is als die enkel afkomstig is van één bron die niet is na te trekken.
Het meest recente landendossier van Open Doors laat zien dat de situatie voor Christenen in Syrië sinds het aantreden van de HTS regering ernstig verslechterd is. Syrië staat nu op plek 6 op de ranglijst van christenenvervolging, terwijl dat in de vorige rapportageperiode plek 18 was. Open Doors leest de situatie van christenen in Syrië heel anders dan het ambtsbericht, en stelt dat er sprake is van “een van de moeilijkste perioden (voor christenen) in de recente geschiedenis van Syrië” (p. 3).
De Nederlandse overheid lijkt maar niet tot een eenduidig standpunt te kunnen komen als het aankomt op de situatie van christenen in Syrië. Aan de ene kant werd op 1 april in een motie door de tweede kamer uitgesproken dat de situatie van christenen sinds het aantreden van de HTS regering ernstig verslechterd is. Anderzijds verscheen op 22 april een brief van de minister van asiel en migratie waarin staat dat de situatie verbetert, en waarin (impliciet) wordt vastgesteld dat christenen niet onder de risicogroepen in Syrië vallen.
De positie van de Nederlandse overheid
In januari 2026 verscheen een nieuw ambtsbericht over Syrië. Ten opzichte van het vorige ambtsbericht (mei 2025), zijn er kleine verbeteringen waar te nemen in de weergave van de situatie van christenen in Syrië. Het ambtsbericht van mei 2025 legde nog sterk de nadruk op de belofte van de overgangsregering van een inclusieve politieke transitie (pp. 89,90). In het nieuwe ambtsbericht wordt benoemd dat het de overgangsregering maar moeilijk lukt om het land onder controle te krijgen. Het ambtsbericht erkent ook dat dit niet buiten de Syrische regering omgaat:
“Het signaal dat president Al-Sharaa afgaf met zijn nadruk op de rechten en vrijheid van de verschillende bevolkingsgroepen, voorkwam niet dat er ook andere uitingen waren, die afkomstig waren van personen met extremistische opvattingen. Deze mensen bevonden zich zowel in de achterban van de overgangsregering als daarbuiten, zoals bij ISIS.” (p. 92)
In het algemeen erkent het rapport dat er een groot gebrek aan stabiliteit is, en Syrië wordt benoemd als een van de ‘minst vreedzame landen ter wereld’ (p. 27). Deze conclusies worden echter niet doorgetrokken naar de situatie van christenen in Syrië. Hoewel er sprake is van een meer evenwichtige weergave van de geweldsincidenten tegen christenen, is de toon over het algemeen nog steeds bagatelliserend. Paragraaf 3.1.1.4. van het ambtsbericht over christenen in Syrië stelt in grote bewoordingen:
“In de verslagperiode waren kerken geopend en konden christenen hun vieringen houden … Tijdens de feestdagen en in geval van aanslagdreiging, bewaakten veiligheidstroepen kerkgebouwen en christelijke wijken. Volgens een bron was er over het algemeen sprake van een vreedzaam samenleven tussen moslims en christenen in Syrië.” (pp. 99-100)
Met name die laatste zin klinkt hol in het licht van wat er in het bericht op volgt: Een lijst met incidenten van geweld tegen christenen van drie pagina’s, waarvan het rapport zelf aangeeft dat het niet limitatief is (pp. 101-103). Waaronder: salafistische predikers in Damascus, voorbereidde aanslagen op kerken, een christelijke man die door veiligheidstroepen is mishandeld en onder druk gezet zich te bekeren tot islam, dreigementen tegen kerken en christenen, ontvoeringen, het in brand steken van een christelijk gezin, etc. Het valt slecht in te zien hoe dit te rijmen is met de uitspraak dat moslims en christen in Syrië vreedzaam samenleven. Een van de verklaringen voor deze discrepantie lijkt te zijn dat de algemene uitspraken over de veiligheid van christenen gebaseerd worden op bronnen uit dezelfde specifieke gebieden (zie voetnoot 945 van het rapport: afgezien van de anonieme bronnen wordt alleen verwezen naar artikelen over de regio Idlib). Wellicht dat het ambtsbericht, zonder dat expliciet te maken, nog sterk denkt vanuit een daadkrachtige Syrische overheid die zich voorgenomen heeft om minderheden te beschermen. De overgangsregering lijkt redelijk welwillend, wat in zichzelf goed nieuws is. Helaas is het maar de vraag in hoeverre zij in staat zijn, en zullen zijn, om deze voornemens ook waar te maken.
Laten we als illustratie een van de grootste aanslagen nemen, die hierboven al genoemd is: de aanslag op de Mar Eliaskerk in Damascus. Op 22 juni 2025 werd er een aanslag gepleegd op deze Grieks Orthodoxe kerk, waarbij tusssen de 20 en 30 mensen om het leven kwamen en nog eens 54 anderen gewond raakten. De aanval werd geclaimd door een extremistische islamitische groep die dit benoemde als ‘straf voor de provocatie van christenen tegen de mensen van het geloof’ (Syria releases findings on 2025 Damascus church bombing). Deze aanslag wordt in het ambtsbericht maar zijdelings genoemd (p. 99) en lijkt te worden afgedaan als een eenmalig grootschalige aanslag tegen een kerk in het afgelopen jaar in de lijst van kleinere incidenten. In het licht van de lange lijst van incidenten is het echter niet moeilijk om dit te scharen onder toenemende spanningen in de Syrische samenleving. Het punt is dan ook niet, dat het slechts één groter incident is, het punt is dat het de overgangsregering niet lukt om adequate bescherming te bieden voor de christelijke minderheid in hun land en dat het niemand zou verbazen wanneer een dergelijk incident zich weer voor zou doen.
Na een recente aanval op het dorp Suqaylabiyah waarbij een groep gewapende moslims dit overwegend christelijke dorp binnenvielen, klonken weer dezelfde geluiden: de regering reageert te traag, en is niet in staat christenen in Syrië te beschermen.
Wanneer het een regering niet lukt om reeksen gewelddadige incidenten en sociale spanningen onder controle te krijgen, lijkt het niet juist om te spreken van een vreedzaam samenleven tussen christenen en moslims in Syrië. Dit zullen we ook verder bevestigd zien in het rapport van Open Doors die we hieronder behandelen.
In tegenstelling tot het Nederlandse beleid heeft het Europees Parlement op 10 juli 2025 een resolutie aangenomen “over de dringende noodzaak om religieuze minderheden in Syrië te beschermen naar aanleiding van de recente terroristische aanslag op de Mar Elias Kerk in Damascus”. Het Europees Parlement wijst op de kwetsbaarheid van de christelijke gemeenschappen in Syrië en de voortdurende bedreigingen van gelovigen die onvoldoende bescherming krijgen van de overheid. Daarnaast heeft de tweede kamer op 1 april een motie aangenomen waarin uitgesproken wordt dat de situatie van christenen in Syrië dramatisch is verslechterd sinds de machtsovername door HTS.
Ondanks dat heeft de minister van Asiel en Migratie in zijn brief over het landenbeleid van Syrië van 22 april 2026, het beleid van Nederland over Syrische christenen onveranderd gelaten. Ze worden nog steeds niet gezien als groep die risico loopt op vervolging.
Open Doors
Het meest recente landenrapport van Open Doors biedt een ander perspectief. Op de ranglijst van Christenvervolging is Syrië gestegen van plek 18 (vorig jaar) naar 6. Deze bijzonder dubieuze eer wordt met name toegeschreven aan de toename van geweld tegen christenen. Open Doors merkt op dat de situatie sinds maart 2025 ernstig verslechterd is. Open Doors zegt dat christenen disproportioneel lijden onder het vele geweld wat op dit moment in Syrië plaatsvindt. Deze kwetsbaarheid komt deels voort uit een gebrek aan politieke en militaire macht, maar ook omdat christenen sneller als ‘Westers’ worden gezien en in verband worden gebracht met de vroegere Assad-regering. Hierdoor zijn christenen kwetsbaar voor doelgericht geweld en discriminatie. De overgangsregering hervormt het onderwijs overeenkomstig islamitische ideologie op een manier die vijandigheid tegen christenen en ook joden aanwakkert. De druk op christenen om zich aan te passen aan kledingvoorschriften en andere religieuze normen neemt toe. (p. 2)
Hoewel de mate van vervolging per regio verschilt, hebben alle christenen in heel Syrië te maken met vormen van geweld. Open Doors rapporteert dat christenen relatief veilig zijn in de noordoostelijke regio die door de Koerden gecontroleerd wordt (p. 34), maar we weten inmiddels dat de Koerdische SDF in januari 2026 sterk is teruggedreven, waardoor er ook in dat gebied onduidelijkheid is over de machtsverhoudingen (zie uitspraak rb Utrecht van 6-2-2026). In het hele land worden religieuze leiders vaak bedreigd en ook kerken krijgen te maken met intimidatie en geweld. Twee belangrijke voorbeelden hiervan zijn de hierboven genoemde aanval op een kerk in Damascus waarbij 22 christenen om het leven kwamen. Volgens de overheid is dit toe te schrijven aan IS. Een ander voorbeeld dateert van december 2024 toen er gewapende mannen een begraafplaats in Hama aanvielen en vernietigde waarbij ze alle christelijke symboliek vernielden. (p.6)
Deze incidenten hebben zoveel angst opgeroepen in de christelijke gemeenschap dat veel kerken besloten hebben om voor hun eigen veiligheid ofwel te sluiten, ofwel de frequentie van hun diensten te verminderen. Veel christenen durven zelf ook niet meer naar de kerk te gaan. (Open Doors, WWL 2026, compilation of main Documents, januari 2026, p. 7) Daar komt bij dat vrouwen van religieuze minderheden (waaronder christenen) nog altijd te maken hebben met risico op ontvoering, seksueel geweld en gedwongen huwelijken, soms in combinatie met elkaar. (p. 5)
Al dit geweld, de toegenomen sociale druk en de onmacht van de overgangsregering om christenen in Syrië te beschermen, doen Open Doors concluderen: “Over het geheel genomen heeft de christelijke minderheid nu te maken met een serieus niveau van vervolging, onzekerheid, en de afname van hun civiele en religieuze vrijheden. Dit markeert een van de moeilijkste perioden in de (moderne) geschiedenis van Syrië.” (p. 3)
Dit meest recente rapport laat er dan ook geen onzekerheid over bestaan of er sprake is van vervolging van christenen in Syrië.
Bespreking
Het meest opvallende is de uiting in het ambtsbericht van januari 2026, dat kerken gewoon open waren en dat er sprake was van een vreedzaam samenleven tussen moslims en christenen. Dit beschrijft toch wel een heel ander beeld dan wat uit het vervolg van het ambtsbericht en het rapport van Open Doors blijkt. Er lijkt wel degelijk sprake van een structureel geweld tegen christenen in Syrië.
Het gevolg hiervan is dat christelijke gemeenschappen een algemeen gevoel van onzekerheid en onveiligheid rapporteren voor hun religieuze vrijheden, veiligheid en mogelijkheden om in het openbaar uiting te geven aan hun geloof.
Het is dan ook niet onverwachts dat Open Doors rapporteert dat christenen zich genoodzaakt voelen om hun geloof buiten de publieke ruimte te houden, en terughoudend om te gaan met publieke uitingen van hun geloof, zoals het houden van kerkdiensten. Hoewel het niet onverwachts is, is dit wel een zorgelijke ontwikkeling.
Het Europees hof van Justitie heeft op 5 september 2012 geoordeeld dat van een vreemdeling die gevlucht is vanwege zijn geloof niet verwacht mag worden dat hij bij terugkeer van religieuze handelingen afziet teneinde vervolging te voorkomen. Van een Syrische vluchteling in Nederland mag dus niet verwacht worden dat hij teruggaat naar Syrië als hij daar, bijvoorbeeld, niet naar de kerk kan gaan. Deze observaties zijn dus van groot belang voor de beoordeling van asielaanvragen van christenen uit Syrië.