2026-06-03 ABRvS 202406275/1/V2 – Iran – risico afvalligen en atheïsten

De IND acht geloofwaardig dat de Iraanse vreemdeling afvallig en atheïst is, maar heeft de asielaanvrag afgewezen omdat van de vreemdeling terughoudendheid in het uiten van zijn afvalligheid en atheïsme verwacht mag worden. De Afdeling oordeelt, dat nader onderzoek nodig is om te beoordelen welke risico’s afvalligen en atheïsten lopen, ook als zij terughoudend zijn in het uiten van hun overtuiging. In een nieuw besluit is een verblijfsvergunning verleend op de a-grond.

ECLI:NL:RVS:2026:3155

In deze zaak is veel aan de orde geweest betreffende het belang dat de vreemdeling wel of niet hecht aan het uiten van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid en atheïsme. De afdeling ziet geen reden hier op in te gaan, maar verwijst naar haar uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, die van een algemene, zaaksoverstijgende strekking is. In deze uitspraak “heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid en atheïsme bij terugkeer naar Iran, slaagt.”

De IND heeft vervolgens op 16 juli 2026 een verblijfsvergunning verleend op de a-grond. De IND gaat er aldus van uit dat de vreemdeling bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn afvaligheid en atheïst. Of de IND zijn nieuwe oordeel gebaseerd heeft op het aanvullende onderzoek dat de Afdeling noodzaak acht is niet bekend.

Artboard facebook google+ instagram linkedin maps pinterest twitter vimeo youtube world