2022-02-25 ABRvS 202200992/1/V2 en 202200992/2/V2 - Afvalligheid - ex nunctoets

In deze uitspraak is aan de orde dat de Afdeling op 19 januari 2022 heft uitgesproken dat de werkwijze bij afvalligheid onvoldoende toetsbaar is voor de bestuursrechter. De staatssecretaris moet opnieuw en ex-nunc op de aanvraag beslissen. Deze uitspraak kan van belang zijn bij een opvolgende aanvraag indien de afvalligheid in een eerdere procedure nog niet conform WI 2022/3 is getoetst.

ECLI:NL:RVS:2022:597

De Afdeling overweegt als volgt:

1.       In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier hij in algemene zin het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de afvalligheid verricht en hoe de beoordeling daarvan plaatsvindt. Hierdoor is het voor de bestuursrechter niet mogelijk om daadwerkelijk en effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in concrete gevallen het onderzoek en de beoordeling verricht en of concrete besluiten over de geloofwaardigheid van de afvalligheid zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. Uit deze uitspraak volgt dat de eerste grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 26 juli 2021 wordt vernietigd. Omdat de staatssecretaris opnieuw op de aanvraag moet beslissen en daarbij rekening moet houden met de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat de vreemdeling verder in hoger beroep en beroep heeft aangevoerd te bespreken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Bespreking

Uit r.o. 1 volgt dat de staatssecretaris gebruik moet maken van een verbeterde en inzichtelijke werkwijze. Hierin is voorzien middels de werkinstructie 2022/3 van 15 februari 2022. Dit heeft ook consequenties voor opvolgende aanvragen als de afvalligheid in een eerdere procedure ongeloofwaardig is geacht indien bij de eerdere procedure geen gebruik is gemaakt van de werkinstructie 2022/3. Blijkens deze uitspraak is er bij voorbaat sprake van een motiveringsgebrek wegens ontbreken van een inzichtelijke werkwijze. Als dat geldt voor een zaak die nog in (hoger) beroep ligt kan dat niet anders zijn bij een zaak waarvan een besluit op 19 januari 2022 reeds in rechte vaststond.

Uit r.o. 2 lijkt te volgen dat ook in casu de (eveneens ongeloofwaardig geachte) bekering opnieuw en ex nunc beoordeeld moet worden. Het nader gehoor dateerde nl. van 18 februari 2021 en sindsdien kan aldus sprake zijn geweest van een significante geloofsgroei. In casu is de vreemdeling in vervolg op deze uitspraak op 10 augustus 2023 aanvullend gehoord waarbij ook nog nader is ingegaan op de bekering.

Artboard facebook google+ instagram linkedin maps pinterest twitter vimeo youtube world