IB 2023/35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen
IB 2023/35 is tot stand gekomen n.a.v. diverse Afdelingsuitspraken uit 2022 volgens welke beter moet worden onderzocht en beoordeeld of vreemdelingen die (toegedicht) afvallig zijn risico zouden lopen bij terugkeer. Dit omdat de vreemdeling op het vliegveld ondervraagd kan worden door de Iraanse autoriteiten en daarbij alsnog problemen kan ondervinden door zijn houding tegenover de islam.
Uit onderstaande bespreking blijkt dat het IB te lichtvaardig oordeelt dat van een afvallige mag worden verwacht dat hij desgevraagd verklaart nog steeds moslim te zijn. Ook wordt te lichtvaardig geoordeeld dat de Iraanse autoriteiten er als regel geloof aan zullen hechten als iemand verklaart een bekering of afvalligheid in land van asiel geveinsd te hebben. Bij dit laatste wordt selectief en eenzijdig verwezen naar een Country Policy Note van het UK Home Office dat, is samenhang met uitspraak UK Upper Tribunal van 20 februari 2020, een veel genuanceerder beeld schetst.
Waar het om gaat
Iraniërs die langere tijd in het buitenland hebben verbleven, kunnen bij terugkeer in Iran te maken krijgen met ondervragingen en verplicht worden middels een formulier te verklaren dat zij nog steeds moslim zijn. Dit gebeurt met name als vermoed wordt dat ze elders asiel hebben aangevraagd en daaraan afvalligheid of een bekering ten grondslag hebben gelegd. Blijkens het IB moet in de beoordeling van de asielaanvraag dan ook een standpunt ingenomen worden of van een vreemdeling verwacht mag worden dat hij verklaart moslim te zijn, ook als hij dat feitelijk niet is.
Als de afvalligheid niet geloofwaardig wordt geacht, stelt de IND zich op het standpunt dat van de vreemdeling verwacht mag worden dat hij verklaart nog steeds moslim te zijn. Als de afvalligheid wel geloofwaardig geacht wordt, moet volgens het IB gekeken worden of en hoe de vreemdeling in in land van herkomst of in Nederland uiting heeft gegeven aan zijn afvalligheid.
In de bespreking van het IB gaan we eerst in op de passage hoe te handelen als de afvalligheid geloofwaardig is geacht. Daarna gaan we ook in op de situatie dat de afvalligheid niet geloofwaardig is geacht.
Geloofwaardige afvalligheid
In de bespreking gaan we met name in op de volgende passage (IB 2023/35 p. 5):
“Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Op grond van de verklaringen van de vreemdeling ten aanzien van het uiten van zijn overtuiging, mag dan ook verwacht worden dat hij niet verklaart afvallig te zijn.
Voor zover zou worden gesteld dat hiermee een vorm van terughoudendheid wordt verlangd, is van belang dat niet elke aantasting op het recht van godsdienstvrijheid een daad van vervolging is die verplicht tot het verlenen van een vluchtelingenstatus. Alvorens van een daad van vervolging kan worden gesproken, moet de daad immers zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Het enkele ondertekenen van een formulier op het moment van inreis waarin men verklaart moslim te zijn, kan niet worden beschouwd als een ontoelaatbare aantasting van het recht op godsdienstvrijheid. Het is niet aannemelijk dat voor de vreemdeling die zijn afvalligheid eerder (in Nederland) niet of nauwelijks uit, door het enkele ondertekenen van de verklaring een onhoudbare situatie ontstaat waardoor dit een daad van vervolging behelst.”
Geen uiting gegeven aan de afvalligheid
Samengevat wordt dus gesteld: als een vreemdeling in land van herkomst of in Nederland geen uiting heeft gegeven aan zijn (geloofwaardig geachte) afvalligheid, mag van hem verwacht worden dat hij bij terugkeer in Iran verklaart nog steeds moslim te zijn. Dit achten wij echter in strijd met het arrest EHvJ 5 september 2012 (ECLI:EU:C:2012:518) volgens welke van een vreemdeling niet mag worden verlangd dat hij zich bij terugkeer, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging, met daarbij de kanttekening dat onder geloofsovertuiging ook begrepen dient te worden de mogelijkheid van niet-geloven (zie bv ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 10, 11.2 en 23.2).
Vraag is nu, of de verwachting dat een afvallige verklaart moslim te zijn teneinde vervolging te voorkomen, gezien kan worden als een inbreuk op deze regel. Ofwel: gaat het bij zulk een verklaring wel of niet om het uitoefenen van een geloofsovertuiging. Het lijkt me, dat het dat wel degelijk is. Immers, verwachten dat iemand verklaart (nog steeds) moslim te zijn betekent niets anders dan dat hij verklaart dat hij zich (nog steeds) conformeert aan de islamitische geloofsbelijdenis dat er geen God is dan Allah en dat Mohammed zijn profeet is, wat iets is dat van een afvallige niet verwacht mag worden. Dat hij zijn afvalligheid niet (actief) uitdraagt maakt dat niet anders. Positief verklaren dat je nog steeds moslim bent gaat immers een stuk verder dan je onthouden van het verklaren dat je afvallig bent. Het IB geeft wel de motivering:
“Op grond van de verklaringen van de vreemdeling ten aanzien van het uiten van zijn overtuiging, mag dan ook verwacht worden dat hij niet verklaart afvallig te zijn.”
waarmee miskend wordt dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen het verklaren nog steeds moslim te zijn en het zich onthouden van het verklaren afvallig te zijn.
Religieuze identiteit en onhoudbare situatie
Het enkele feit dat een vreemdeling er kennelijk weinig of geen behoefte aan heeft zijn afvalligheid actief te uiten mag dus beslist niet betekenen dat van hem verwacht mag worden zich (nog steeds) voor te doen als moslim. Er is immers geen regel die voorschrijft dat afvalligheid actief geuit zou moeten worden. Het standpunt van de staatssecretaris dat het voor een vreemdeling die geen uiting geeft aan zijn afvalligheid in beginsel niet van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit om te verklaren dat hij afvallig is, snijdt geen hout. Met dit standpunt wordt er immers aan voorbijgegaan dat een verklaring die van de vreemdeling bij terugkeer in Iran verlangd wordt niet vrijblijvend is, maar dat van de vreemdeling verlangd wordt religieus kleur te bekennen. Er wordt ook niet de mogelijkheid geboden de vraag of hij afvallig is te omzeilen, er wordt van hem verwacht dat hij positief verklaart nog steeds moslim te zijn. Met andere woorden: de IND verwacht van een afvallige die weinig of geen uiting geeft aan zijn afvalligheid, dat hij een religieuze identiteit veinst die hij niet heeft, wat dus altijd in strijd komt met zijn ware religieuze identiteit. Het standpunt dat dit niet op zichzelf reeds leidt tot een ‘onhoudbare’ situatie’ kan dan ook niet worden gevolgd.
Vrijheid van geweten
Als het IB desalniettemin niet in strijd zou zijn met de vrijheid van godsdienst, dan toch zeker wel met de vrijheid van geweten. Immers, er kan niet op voorhand van uitgegaan worden dat het onder dwang verklaren moslim te zijn voor een afvallige niet zou stuiten op gewetensbezwaren. Dit zou alleen anders zijn als de afvallige er blijk van geeft (ook in Nederland, uit eigen vrije wil) er geen probleem mee te hebben zich feitelijk nog steeds voor te doen als moslim, maar dat is wat anders dan het weinig of niet uiting geven aan de afvalligheid wat immers niets meer en niets minder inhoudt dan dat iemand zich niet actief uit over zijn afvalligheid maar aldus wel kan inhouden dat hij er in passieve zin uiting aan geeft dat hij geen moslim (meer) is doordat hij niet (meer) participeert in de islamitische religieuze gebruiken.
Daad van vervolging
Het IB hanteert voorts nog een opmerkelijke en aanvechtbare redenering, namelijk dat niet aannemelijk is dat het ondertekenen van de verklaring een daad van vervolging behelst (“Het is niet aannemelijk dat voor de vreemdeling die zijn afvalligheid eerder (in Nederland) niet of nauwelijks uit, door het enkele ondertekenen van de verklaring een onhoudbare situatie ontstaat waardoor dit een daad van vervolging behelst”). Immers, het gaat niet enkel om de vraag of de ondertekening van de verklaring op zichzelf een daad ven vervolging behelst, het gaat vooral om de vraag of het niet-ondertekenen van de verklaring risico geeft op een daad van vervolging. Is dat het geval, dan moet aangenomen worden dat een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht en van wie aangenomen kan worden dat de Iraanse autoriteiten zullen verlangen dat hij verklaart nog steeds moslim te zijn, bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging.
Gewezen zij in dit verband op de UK Upper Tribunal, 20 februari 2020, PS (Christianity – risk) Iran CG [2020] UKUT 00046 (IAC):
128. It is in that context that the detainee is then presented with a piece of paper and asked to sign it. Mr Payne suggested that being required to sign a piece of paper could not rationally be considered to be persecution. That may be so, but where the document in question amounts to a promise to desist from practising one’s faith, it plainly engages the Refugee Convention. The detained Christian is faced with a stark choice: renounce your right to freedom of conscience and belief, or refuse to sign, and face prolonged detention and torture. As Sir John Dyson put it in HJ (Iran)(FC) v Secretary of State for the Home Department [2010] UKSC 31 [at §110], he would by signing “surrender the very protection that the Convention is intended to secure him”. (p. 40)
Afvalligheid niet geloofwaardig
Voor de situatie dat de afvalligheid niet geloofwaardig is geacht, gaat het IB vooral in op de situatie dat de vreemdeling ook geen afvalligheid toegedicht zal worden. Als de gestelde afvalligheid ongeloofwaardig is geacht en ook niet geloofwaardig is dat de autoriteiten hem zullen zien of herkennen als afvallige, mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij verklaart nog steeds moslim te zijn, aldus het IB. Ook stelt het IB dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij bij een eventuele ondervraging door de Iraanse autoriteiten verklaart dat hij het religieuze asielmotief heeft geveinsd om een asielvergunning te verkrijgen. Het is dan volgens het IB aan de vreemdeling om aannemelijk te maken waarom de Iraanse autoriteiten hem hierin niet zouden geloven. (IB p. 4) Het IB gaat er kennelijk op voorhand vanuit dat de Iraanse autoriteiten er als regel wel geloof aan zullen hechten.
Dit laatste wordt dezerzijds in strijd geacht met de Afdelingsuitspraak van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1668, r.o. 2.3:
“De staatssecretaris heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de passage uit het ambtsbericht. Daarin staat dat de Iraanse autoriteiten in de gaten houden wat een asielzoeker zegt en doet, maar dat zij zich ook realiseren dat asielzoekers verhalen vertellen die niet waargebeurd zijn. Deze motivering is in dit geval onvoldoende om de conclusie te dragen dat de vreemdelingen bij terugkeer geen reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Dat uit de passage uit het ambtsbericht en de onderliggende stukken blijkt dat de Iraanse autoriteiten zich realiseren dat asielzoekers verhalen vertellen die niet waargebeurd zijn om in aanmerking te komen voor een asielvergunning, wil, wat daar ook van zij, namelijk nog niet zeggen dat de Iraanse autoriteiten de vreemdelingen ook altijd zullen geloven als zij tegenover hen verklaren dat zij hun bekering en afvalligheid tegenover de Nederlandse autoriteiten slechts hebben geveinsd om een asielvergunning te verkrijgen.”
De staatssecretaris zal dus tevens moeten motiveren waarom er vanuit gegaan kan worden dat de Iraanse autoriteiten er geloof aan zullen hechten dat de gestelde bekering en afvalligheid enkel geveinsd zijn. Dit geldt kennelijk in het algemeen, blijkens het vervolg in de uitspraak: “In dit geval is daar temeer reden voor, omdat…” waarna gewezen wordt op individuele omstandigheden van eisers die temeer maken dat de staatssecretaris nader dient te motiveren waarom verwacht kan worden dat de Iraanse autoriteiten geloof zullen hechten aan een gestelde geveinsdheid. Het woord ‘temeer’ wijst er immers op, dat de bedoelde individuele omstandigheden versterkend werken maar dus niet een voorwaarde zijn zonder welke niet nader gemotiveerd zou hoeven worden waarom verwacht kan worden dat de Iraanse autoriteiten wel geloof zullen hechten aan een gestelde geveinsdheid. Hierbij is ook van belang dat de Afdeling er in r.o. 2.3 tevens op wijst dat blijkens ambtsbericht de potentiële gevolgen voor de vreemdelingen zeer ernstig zijn als de Iraanse autoriteiten niet geloven dat de vreemdelingen hun bekering en afvalligheid tegenover de Nederlandse autoriteiten hebben geveinsd. De Afdeling laat aldus niet toe dat al te lichtvaardig geoordeeld wordt over de risico’s van de ondervraging bij terugkeer.
UK Home Office en Upper Tribunal
Het IB onderbouwt het standpunt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken waarom de Iraanse autoriteiten een verklaring dat een religieus asielmotief is geveinsd niet zouden geloven met verwijzing naar UK Home Office, Country Policy and Information Note “Iran: Christians and Christian converts”, Version 7.0, september 2022, r.o. 2.4.1.4:
“In cases where the claimant is found to be insincere in his or her claimed conversion, there is not a real risk of persecution “in-country”. (…) The returnee can be expected to sign an undertaking renouncing his claimed Christianity. The questioning will therefore in general be short and will not entail a real risk of ill-treatment (…).”
Dit blijkt echter een veel te beperkte en eenzijdige citering van de gegeven informatie te zijn. Vollediger staat vermeld:
2.4.14 The UT in PS Iran also held that:
‘In cases where the claimant is found to be insincere in his or her claimed conversion, there is not a real risk of persecution “in-country”. There being no reason for such an individual to associate himself with Christians, there is not a real risk that he would come to the adverse attention of the Iranian authorities. Decision-makers must nevertheless consider the possible risks arising at the “pinch point” of arrival:
‘i) All returning failed asylum seekers are subject to questioning on arrival, and this will include questions about why they claimed asylum;
‘ii) A returnee who divulges that he claimed to be a Christian is reasonably likely to be transferred for further questioning;
‘iii) The returnee can be expected to sign an undertaking renouncing his claimed Christianity. The questioning will therefore in general be short and will not entail a real risk of ill-treatment;
‘iv) If there are any reasons why the detention becomes prolonged, the risk of ill-treatment will correspondingly rise. Factors that could result in prolonged detention must be determined on a case by case basis. They could include but are not limited to:
‘a) Previous adverse contact with the Iranian security services;
‘b) Connection to persons of interest to the Iranian authorities;
‘c) Attendance at a church with perceived connection to Iranian house churches;
‘d) Overt social media content indicating that the individual concerned has actively promoted Christianity’ (paragraph 144).
Onder iii wordt dus wel uitgesproken dat bij herroeping van een bekering de ondervraging kort kan zijn, maar onder iv wordt duidelijk dat er allerlei redenen kunnen zijn voor een langer durende ondervraging met toenemend risico op fysieke mishandeling naarmate de ondervraging langer duurt. Van belang is ook dat de Country Policy and Information Note zelf terugverwijst naar UK Upper Tribunal, 20 februari 2020, PS (Christianity – risk) Iran CG [2020] UKUT 00046 (IAC) waarin onder meer het volgende wordt uitgesproken:
113. We are satisfied that a returnee who had made a false claim of conversion would be reasonably likely to excite sufficient interest to warrant further questioning. His is an asylum claim that is likely to have depended on sur place activities, including baptism and attending church, prima facie evidence of a crime under Iranian law. The evidence overall indicates that the security services follow a specified procedure when it comes to Christians: they are taken in and required to sign the undertaking. It does not seem likely to us that this procedure would be followed standing at an arrivals desk, even if the subject was protesting that it was all false and that he was perfectly willing to sign. A returnee is not someone who has been picked up on an Iranian street. He is someone who has just come back from the United Kingdom, possibly having spent a considerable amount of time here; the Iranian security services perceive there to be a clear link between Christianity and attempts by the West to undermine the Iranian state. These factors cumulatively give rise, in our view, to a “particular concern” such that a transfer to second-line questioning would be likely. (p. 36,37)
Vervolgens wordt onder 114 en 115 wel betoogd dat als een Iraanse vreemdeling bij zo’n ondervraging, mogelijk onder psychische druk, verklaart dat hij slechts een bekering heeft geveinsd, de ondervraging kort kan zijn en zonder reëel risico op fysieke mishandeling, maar vervolgt dan met:
116. We accept that this will not always be so. Risk assessment must always be fact specific and decision makers must look to the particular characteristics and behaviour of claimants to assess whether there is a reasonable likelihood of physical harm during these ‘second-line’ investigations. We accept the Secretary of State’s general rule of thumb that the longer the detention, the greater the risk of torture. Decision-makers must therefore assess whether there are any reasons why interrogation would be prolonged. (p. 37)
Hieruit volgt eveneens wat ook de Afdeling heeft uitgesproken, namelijk dat het bestuursorgaan altijd zal moeten onderzoeken of er redenen zijn om aan te nemen dat een vreemdeling bij terugkeer aan een langdurige ondervraging onderworpen zal worden.