WI 2022/3 en risico afvalligheid

In februari 2022 heeft de IND de werkinstructie 2019/18 aangepast naar aanleiding van twee Afdelingsuitspraken van 19 januari 2022 over het toetsingskader bij atheïsme en afvalligheid. Stichting Gave heeft onder meer geconstateerd dat de herziene werkinstructie 2022/3 te beperkend lijkt te zijn wat betreft de risico’s bij terugkeer van afvalligen. Op deze pagina wordt nader ingegaan op het advies van de UNHCR betreffende de beoordeling van het risico van afvalligheid zoals dat bij een WOB-verzoek openbaar is gekomen. De conclusie is, dat de IND op onjuiste gronden het advies heeft genegeerd.

Uit de correspondentie met de UNHCR blijkt, dat het advies van de UNHCR niet is overgenomen. Dit gaat over de vraag of van een afvallige (soms) terughoudendheid verwacht mag worden in het uiting geven aan de afvalligheid, bijvoorbeeld door het niet-praktiseren van het voorgeschreven geloof. De IND meent, anders dan de UNHCR, dat dit soms verwacht mag worden. De IND beroept zich daartoe onder meer op een van de twee Afdelingsuitspraken van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 23.1) volgens welke de IND moet “onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn.” Volgens de IND betekent dit, dat “indien een vreemdeling stelt dat bepaalde gedragingen/uitingen bijzonder belangrijk voor hem zijn dan moet hij dit wel met geloofwaardige verklaringen aannemelijk maken.” Voornoemde Afdelingsuitspraak geeft echter geen blijk dat de belangrijkheid van de uitingen hierin een criterium is. De IND heeft de passage over ‘bijzonder belangrijk’ ontleend aan een andere Afdelingsuitspraak, nl van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735). Het beroep op deze uitspraak is naar het oordeel van onze stichting echter niet effectief. In bedoelde uitspraak gaat het immers om een beroep op een westerse levensstijl waarover de Afdeling heeft geoordeeld:

“5.6.    Verder is de Afdeling van oordeel dat, anders dan besloten ligt in wat de rechtbank heeft overwogen, een westerse levensstijl geen godsdienstige of politieke overtuiging is. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in het arrest van 5 september 2012, in de gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z, ECLI:EU:C:2012:518, punten 70-71, omvat de bescherming die onder het Unierecht op basis van de vervolgingsgrond godsdienstige overtuiging wordt geboden, slechts gedrag dat betrokkene noodzakelijk voor zichzelf acht. Het moet gaan om gedrag dat op een godsdienstige overtuiging is gebaseerd en dat bijzonder belangrijk is voor betrokkene om zijn godsdienstige identiteit te behouden.”

“5.8.    De hoofdregel is dus dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap kan leiden. De uitzondering hierop is de situatie waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. Een voorbeeld hiervan is een vreemdeling die aannemelijk maakt dat zij zich heeft afgewend van haar godsdienst en zich juist daarom westers gedraagt. Die westerse gedragingen vallen in dat geval wél onder de bescherming die door het vluchtelingenrecht wordt geboden op basis van de vervolgingsgronden godsdienstige en politieke overtuiging.”

“5.9.    Een vreemdeling zal die uitzondering tegenover de staatssecretaris aannemelijk moeten maken. (…) Een vreemdeling moet dus aannemelijk maken dat zij een godsdienstige overtuiging heeft, waarvan haar westerse gedragingen een uiting zijn.”

Wat betreft het beroep op de gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z, ECLI:EU:C:2012:518, punten 70-71 welke de Afdeling hier ook aanhaalt, zij opgemerkt dat het in die uitspraak primair gaat om het “in het openbaar beleven van een godsdienstige praktijk” waarbij getoetst mag worden wat het persoonlijk belang is van die godsdienstige praktijk. “Uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, sub b, van de richtlijn blijkt immers dat de omvang van de bescherming die op basis van de vervolgingsgrond godsdienst wordt geboden zowel persoonlijk als gemeenschappelijk gedrag omvat dat iemand als noodzakelijk voor zichzelf acht, namelijk gedrag dat ‘op een godsdienstige overtuiging [is] gebaseerd’, of dat door de geloofsleer wordt voorgeschreven, meer in het bijzonder gedrag dat door een ‘godsdienstige overtuiging […] [wordt] bepaald’.”

Inzake voornoemde Afdelingsuitspraak, nl van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735) gaat het aldus om de vraag of de met verwestering verband houdende gedragingen verband houden met een (politieke of religieuze) overtuiging en zo ja, of de gedragingen van bijzonder belang zijn voor de identiteit van de vreemdeling. Het gaat hier aldus niet om het afzien van bepaalde, met een godsdienst verband houdende, gedragingen. Bij zulk een afzien van gedragingen, i.e. niet-praktiseren van een geloof zoals in geval van afvalligheid, kan hooguit worden verlangd dat iemand blijk geeft van het ‘niet-belangrijk vinden’ van die gedragingen, wat echter reeds met de afvalligheid gegeven is en aldus geen afzonderlijk onderzoek behoeft.

In dit verband is Afdelingsuitspraak d.d. 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1968) relevant:

“4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag van een vreemdeling wiens geloofsovertuiging door de staatssecretaris geloofwaardig wordt geacht, niet worden gevraagd dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in het land van herkomst terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging (uitspraak van 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578). Onder ‘geloofsovertuiging’ moet in dit verband ook een niet-theïstische geloofsovertuiging, zoals het atheïsme, en afvalligheid worden verstaan. Als de vreemdeling tegenover de staatssecretaris niet duidelijk maakt hoe hij zijn geloofsovertuiging na terugkeer in het land van herkomst wil uiten, moet de staatssecretaris daarom beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer een risico loopt als hij op dezelfde wijze als in Nederland openlijk invulling geeft aan zijn geloofsovertuiging en die overtuiging ook voor zijn omgeving niet verborgen houdt.”

Het gaat er, blijkens deze uitspraak, dus om dat iemand die afvallig is, bij terugkeer naar land van herkomst moet kunnen laten blijken afvallig te zijn. Dit is alleen anders, indien hij dit in Nederland ook niet laat blijken. In alle andere gevallen mag niet verwacht worden dat de vreemdeling, van wie de IND de afvalligheid geloofwaardig acht, in geval van terugkeer naar land van herkomst deelneemt aan geloofsactiviteiten teneinde zijn afvalligheid verborgen te houden en zodoende vervolging te voorkomen.

Artboard facebook google+ instagram linkedin maps pinterest twitter vimeo youtube world