2025-04-10 Rb Den Haag NL24.50548 - afvalligheid - Iran
Deze zaak gaat onder meer over afvalligheid en daarbij met name over de vraag of van de vreemdelinge verwacht mag worden dat zij zich conformeert aan de religieuze regels van Iran. Deze bespreking gaat over dit deel van de uitspraak.
ECLI:NL:RBDHA:2025:8234
Aanpassing aan de religieuze voorschriften?
Verweerder acht geloofwaardig dat eiseres niet in de islam gelooft. Eiseres heeft daarbij verklaard dat zij niet mee wil doen aan de ramadan en geen hijab wil dragen. Verweerder heeft geoordeeld dat dat wel van haar verwacht mag worden omdat ze dit ook deed toen ze nog in Iran verbleef. Volgens verweerder blijkt niet dat haar wens om zich niet aan de regels te houden voortkomt uit een diepgaande overtuiging ten aanzien van de islam of inherent is aan haar (religieuze) identiteit. De rechtbank oordeelt, dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het uiten van de geloofsovertuiging van eiseres geen belangrijk onderdeel is van haar religieuze identiteit en in hoeverre van haar verlangd mag worden dat zij de religieuze verplichtingen in Iran naleeft. De rechtbank verwijst naar verklaringen van eiseres dat zij bij terugkeer alles eerlijk zou zeggen, dat zij nergens meer bang voor is en dat ze zichzelf heeft beloofd dat zij niet meer gaat doen wat zij zelf niet wil, ongeacht de consequenties. Verweerder heeft nagelaten deze verklaringen in de beoordeling te betrekken.
Ondervraging bij terugkeer
De rechtbank oordeelt, dat eiseres bij terugkeer naar Iran ondervraagt kan worden door de autoriteiten en daarbij alsnog problemen kan ondervinden door haar houding tegenover de islam, ook al heeft ze eerder geen problemen gehad met de autoriteiten. (r.o. 8) De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraak ABRvS van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3267.
Afvallig of niet?
Verweerder heeft in deze zaak blijkbaar aangenomen dat eiseres niet afvallig is maar wel dat ze niet in de islam gelooft. Redengevend is kennelijk, dat eiseres heeft verklaard persoonlijk nooit in de islam te hebben geloofd (zie r.o. 3). De rechtbank oordeelt dat het voor de beoordeling van de vrees bij terugkeer niet van belang is of het niet geloven tevens afvalligheid is of niet. Ook als het niet geloven geen afvalligheid is, kan het niet geloven leiden tot problemen bij terugkeer.
Bespreking
Nooit in de islam geloofd
Het begrip afvalligheid blijft voor verwarring zorgen, vooral omdat de IND er wisselend mee omgaat. Meer dan eens wordt geredeneerd dat als iemand persoonlijk nooit in de islam heeft geloofd, er geen sprake is van afvalligheid. De definitie van de werkinstructie 2022/3 is echter breder: er is ook sprake van afvalligheid als de vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid of als de vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Afvalligheid volgens de definitie van de werkinstructie heeft niet alleen betrekking op een verandering in het persoonlijke innerlijke geloof van de vreemdeling maar kan ook betrekking hebben op een verandering in de wijze waarop de vreemdeling zich verhoudt tot het geloof waarmee hij is opgegroeid of wat hij in de ogen van zijn omgeving behoort aan te hangen. In casu is daar kennelijk sprake van, aangezien eiseres heeft verklaard niet meer volgens de regels van de islam te willen leven.
Deze bredere definitie van afvalligheid is van belang. Immers, een kind volgt als regel de godsdienst van de ouders, los van de vraag of het kind zich dit geloof ook zelf eigen maakt. In een land als Iran zal menig kind ook de staatsgodsdienst volgen omdat dat op school en (in zekere mate) in de openbare ruimte verwacht wordt, ook als het kind thuis een vrijere opvoeding krijgt. Als het kind op enig moment in zijn persoonlijke ontwikkeling tot de conclusie komt dat het betreffende geloof niet zijn geloof is, kan dat leiden tot een besluit om dit geloof ook niet meer te willen praktiseren, wat dus een afwending van dat geloof inhoudt zonder dat er sprake is van een gewijzigde innerlijke overtuiging. De bredere definitie van afvalligheid helpt dus, om een brede blik te houden op mogelijke geloofsontwikkelingen die aan de orde kunnen zijn in een individueel asielrelaas.
Het is voorts van belang, dat het ten diepste niet gaat om de vraag of een bepaalde afwending van een geloof wel of niet valt onder een definitie van afvalligheid. Waar het in de kern om gaat is de vraag, of de vreemdeling het betreffende geloof dat hij in land van herkomst zou moeten aanhangen, wel of niet aanhangt en wat de consequenties (kunnen) zijn. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld, dat relevant is dat verweerder erkent dat eiseres niet gelooft in de islam.
Desinteresse?
Toch is de uitspraak van de rechtbank op één punt problematisch, namelijk dat de rechtbank er de nadruk op legt dat onvoldoende is gemotiveerd dat het uiten van de geloofsovertuiging van eiseres geen belangrijk onderdeel is van haar religieuze identiteit. De rechtbank heeft voor dit oordeel weliswaar goede redenen gegeven, maar de rechtbank gaat hiermee wel voorbij aan de vraag in hoeverre het relevant is te weten of het niet geloven in de islam een belangrijk onderdeel is van de religieuze identiteit van eiseres. Bepalend moet zijn, dat de islam geen onderdeel uitmaakt van de religieuze identiteit van eiseres en dat derhalve niet verwacht mag worden dat zij op enige wijze veinst moslim te zijn teneinde vervolging te voorkomen.
Volgens de werkinstructie 2022/3 (p. 18) kan van een vreemdeling die enkel uit desinteresse afvallig is, zich jarenlang heeft geconformeerd aan de heersende normen en het niet deel uitmaakt van zijn (religieuze) identiteit, eerder verlangd worden dat hij zich aanpast aan de heersende normen zonder dat er een onhoudbare situatie zou ontstaan dan van een vreemdeling die zich heeft afgewend van een religie en daar sterke ideeën over heeft. De WI is op dit punt echter zeer problematisch. Ook van iemand die ‘enkel uit desinteresse’ afvallig is, mag niet verwacht worden dat hij zich conformeert aan religieuze voorschriften van een geloof dat hij niet aanhangt. Dit staat nog los van de vraag of het voor de vreemdeling belangrijk is zijn afvalligheid wel of niet actief uit te dragen, een vraag die volgens IB 2023/35 (risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen) wel relevant zou zijn. Het feit dat iemand er kennelijk geen behoefte aan heeft zijn afvalligheid actief te uiten, betekent immers nog niet dat van hem verwacht mag worden zijn afvalligheid te verbergen door te veinzen (nog steeds) moslim te zijn teneinde vervolging te voorkomen. Dit zou namelijk is strijd zijn met het arrest EHvJ 5 september 2012 (ECLI:EU:C:2012:518) volgens welke van een vreemdeling niet mag worden verlangd dat hij zich bij terugkeer, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging, met daarbij de kanttekening dat onder geloofsovertuiging ook begrepen dient te worden de mogelijkheid van niet-geloven (zie bv ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 10, 11.2 en 23.2). Zie verder onze bespreking van IB 2023/35. Zie ook onze bespreking van een advies van de UNHCR op dit punt, dat de IND op onjuiste gronden terzijde heeft gelegd.